Examenvraag havo positietoewijzing en positieverwerving

De Online Portal van het vak maatschappijwetenschappen

Deze examenvraag komt uit 2017 tijdvak 1.

Opgave 4 Straattaal of het Nederlands van de toekomst

Bij deze opgave hoort tekst 3 uit het bronnenboekje.

Inleiding

Deze opgave gaat over het gebruik van straattaal door jongeren.

1p      12     Beredeneer of jongeren die dezelfde straattaal spreken, altijd een groep te noemen zijn. Gebruik in je redenering het kernconcept groepsvorming.

Gebruik tekst 3.

Er is een onderscheid tussen globalisering op economisch, juridisch, politiek, sociaal-cultureel en ecologisch gebied. Deze gebieden noemen we dimensies.

3p      13     Leg op grond van tekst 3 uit dat straattaal past bij een geglobaliseerde samenleving. Gebruik in je uitleg:

  • het kernconcept globalisering;
  • een van de bovenstaande dimensies van globalisering;
  • een voorbeeld uit tekst 3.

Gebruik tekst 3.

In de laatste regel van tekst 3 staat: “Het is de taal van de straat en de sprekers zullen dus ook wel nooit verder komen dan die straat.” In dit citaat is een vooroordeel te herkennen over de sociale mobiliteit van jongeren die straattaal spreken. Dit vooroordeel kan gevolgen hebben voor de maatschappelijke positie van die jongeren.

2p      14     –    Leg uit dat dit citaat gaat over de sociale mobiliteit van jongeren die straattaal spreken. Gebruik in je uitleg een omschrijving van het begrip sociale mobiliteit.

  • Beredeneer op welke wijze dergelijke vooroordelen over de sociale mobiliteit van jongeren die straattaal spreken, gevolgen kunnen hebben voor de maatschappelijke positie van deze jongeren. Gebruik in je redenering een omschrijving van het begrip positietoewijzing.

Stel dat jij een onderzoek doet naar straattaal onder jongeren. De onderzoeksvraag is: “In hoeverre is er sprake van sociale cohesie tussen jongeren die dezelfde straattaal spreken?”

3p      15     –    Formuleer een enquêtevraag om de mate van sociale cohesie te meten tussen jongeren die dezelfde straattaal spreken.

Je mag het woord ‘cohesie’ niet gebruiken.

  • Formuleer vier antwoordmogelijkheden voor de persoon die de enquêtevraag beantwoordt.
  • Geef een reden waarom je met deze enquêtevraag de mate van sociale cohesie meet. Gebruik in je antwoord het kernconcept sociale cohesie.