§13.3 Kansenongelijkheid in het onderwijs

De Online Portal van het vak maatschappijwetenschappen

De afgelopen jaren is er steeds meer aandacht gekomen voor verschillen tussen leerlingen door opleidingsniveau van hun ouders. Kinderen met laagopgeleide ouders komen vaker op een lager onderwijsniveau terecht dan kinderen met hoogopgeleide ouders, terwijl ze hetzelfde intelligentieniveau hebben. De Inspectie van het Onderwijs publiceert ieder jaar het rapport ‘De Staat van het Onderwijs’. In 2018 bleek dat de invloed van het opleidingsniveau van ouders op de kansen die leerlingen hebben, niet afneemt maar sterker wordt.

Uit het rapport bleek onder andere de invloed van het opleidingsniveau van ouders op het advies dat leerlingen krijgen voor een middelbare school. Bij een eindtoetsscore van 532 bijvoorbeeld, krijgen leerlingen met ouders die laagopgeleid zijn in ongeveer 25% van de gevallen een hoger advies voor vervolgonderwijs dan hun toetsscore. Onder leerlingen met dezelfde score, maar ouders die hoogopgeleid zijn krijgt bijna 60% een hoger advies dan die score van 532. Over het algemeen hebben leerlingen met lager opgeleide ouders 20 tot 30% meer kans op een lager advies dan hun score en ook 20 tot 30% minder kans op een hoger advies dan hun toetsscore. Hieronder zie je voor alle toetsscores wie een hoger of lager advies krijgt. Meer cijfers over het Nederlandse onderwijs vind je hier.

Het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, waar de Inspectie van het Onderwijs onder valt, houdt zich bezig met meer kansengelijkheid in het onderwijs. Ze hebben onder andere het ‘Dashboard Gelijke Kansen’ gepubliceerd, waar allerlei vergelijkingen gemaakt worden tussen jongeren en het onderwijsniveau van hun ouders. Zo vergelijken ze waar jongeren vijf jaar na het behalen van hun havo diploma staan. Bij een gelijk diploma, bijvoorbeeld een havo-diploma, zitten havisten met hoger opgeleide ouders vaker op de universiteit dan havisten waarvan hun ouders lager opgeleid zijn.

Er worden verschillende oorzaken genoemd voor deze verschillen. Allereerst heeft het opleidingsniveau van de ouders invloed op hun gedrag. Hoogopgeleide ouders houden zich meer bezig met hun kind en hoe het gaat op school. Ze zijn meer betrokken bij de schoolkeuze en sturen hun kinderen vaker naar huiswerkklassen. Ook migratieachtergrond speelt een rol. Leerlingen met een migratieachtergrond gaan minder vaak naar het hoger onderwijs dan leerlingen zonder migratieachtergrond. Naast ouders en hun achtergrond, heeft ook de school effect. Dat zag je ook in het voorbeeld met de eindtoetsscore van 532 hierboven. Scholen geven vaak (onbewust) hogere adviezen aan kinderen met hoger opgeleide ouders. Sommige scholen die zich hiervan bewust zijn, gaan actief aan de slag om meer kansengelijkheid te creëren. Lees hier verschillende voorbeelden van scholen. Tenslotte heeft de overheid invloed op de kansen(on)gelijkheid in het onderwijs. Zo schaften zij in 2015 de basisbeurs af, waardoor verschillende organisaties zeggen dat jongeren met ouders die minder geld hebben, nu minder zullen gaan studeren. Of dit ook echt zo is, zal de komende jaren moeten blijken. In 2018 besloot de Tweede Kamer wel dat het collegegeld voor het eerste jaar studeren gehalveerd gaat worden.

Verschillende organisaties die opkomen voor de belangen van scholieren, studenten en ondernemers sloegen in april 2018 de handen ineen en roepen samen het kabinet op om verantwoordelijkheid te nemen en meer kansengelijkheid in het onderwijs te creëren.

de omgang van Europa en Frontex met vluchtelingen (§13.4)Havo

 

terug naar hoofdstuk 13Havo