§14.3 Sociale netwerken

De Online Portal van het vak maatschappijwetenschappen

In het lesboek in §14.3 heb je al kunnen lezen over de manier waarop sociale netwerken zijn veranderd over de eeuwen heen. Sociale netwerken hebben te maken met afhankelijkheden tussen mensen, en daarmee met het hoofdconcept binding. Als recap zie je hieronder de definitie van binding:

Binding verwijst naar de relatie en onderlinge afhankelijkheden tussen mensen in een gezin of familie, tussen leden van een groep, in de maatschappij en op het niveau van de staat.

Het Centraal Bureau voor de Statistiek doet regelmatig onderzoek naar het gebruik van sociale media, zoals naar het gebruik onder jongeren, ouderen of de verslaving eraan. Hieronder zie je bijvoorbeeld dat meisjes van 12-25 jaar sociale netwerken meer gebruiken dan jongens in deze leeftijd. Sociale netwerken zijn hier bijvoorbeeld Facebook en Instagram.

Het instituut Newcom Research doet al sinds 2010 onderzoek naar het gebruik van sociale media in Nederland. In de grafiek hieronder uit het Nationaal Social Media Onderzoek 2019 kun je zien dat het gebruik van Facebook sinds 2017 aan het afnemen is. De getallen op de verticale as verwijzen naar het percentage Nederlanders dat het medium gebruikt. Facebook wordt in 2019 dus gebruikt door zo’n 70% van de Nederlanders.

In de bovenstaande grafiek ging het om gebruik van een medium op zich, in de onderstaande grafiek gaat het over dagelijks gebruik. Hieruit blijkt dat de daling van het gebruik van Facebook vooral komt door daling onder Nederlanders van 15-40 jaar. Redenen voor het stoppen met Facebook verschillen per leeftijdsgroep. Voor gebruikers onder de 24 jaar is de vaakst gegeven reden om te stoppen dat ze een ander social media platform leuker vinden, mensen tussen 25 en 34 jaar geven aan dat Facebook gebruiken hen te weinig oplevert. De voornaamste reden voor gebruikers tussen 35-54 jaar is dat ze zich niet meer thuis voelen op Facebook en voor mensen ouder van 55 is de meest gegeven reden om te stoppen met Facebook dat er teveel mensen op zitten waar ze niks mee hebben. Je zou dus kunnen zeggen dat deze laatste twee groepen te weinig binding ervaren op Facebook en er daarom mee stoppen. De redenen ‘niet thuis voelen’ en ‘te veel mensen waar ik niks mee heb’ verwijzen namelijk naar andere gebruikers, terwijl de eerste twee redenen niet per se met de binding met andere gebruikers te maken hoeft te hebben.

Er zijn echter ook gebruikers die juist op Facebook wel binding hebben en een groepsgevoel ervaren, door Facebook groepen of community’s. Door nep nieuws op sociale media en het ontbreken van overzicht om echt betrokkenheid te creëren (zie ook de vierde kanttekening bij binding in het lesboek), komen er steeds meer online community’s. Dit gebeurt onder burgers maar ook binnen bedrijven bijvoorbeeld. Facebook speelt hier ook op in door technologische vernieuwingen door te voeren. Zo bieden ze in Workplace, het platform voor interne community’s voor bedrijven, de mogelijkheid om een chatbot een melding te laten geven wanneer er klanten bij de receptie staan.

In online community’s zitten mensen met dezelfde interesses die van elkaar willen leren en samenwerken. Er worden uitgebreide gesprekken en discussies gevoerd. Van een Facebook groep worden mensen zelf, vrijwillig, lid omdat ze dat willen. Denk eens aan een hobby van jezelf en zoek op Facebook naar een groep met mensen die dezelfde hobby hebben, deze bestaat ongetwijfeld. Dit is een goed voorbeeld van groepsvorming, omdat mensen in zo’n community een groep vormen die gemeenschappelijke waarden heeft en elkaar beïnvloedt door het voeren van gesprekken.

naar het onderzoek van Putnam (§14.3)Vwo

terug naar hoofdstuk 14Vwo