§5.1 Enquêtes

Tijdens de verkiezingen van de Tweede Kamer of dergelijke, worden er vaak prognoses gemaakt over ons stemgedrag. De peilingen geven dan vaak al een heel realistisch beeld van hoe de mensen gaan stemmen. Maar hoe komen ze eigenlijk aan die peilingen? Eigenlijk doen de opiniemakers een soort mini enquête. Ze vragen aan 40.000 mensen of zij een top 10 willen maken van de partijen waarop zij zouden stemmen. Zo ontstaat De Peiling!

Een voorbeeld van hoe een enquête eruit ziet, kun je hier vinden. Deze enquête is door een kantoor uitgezet die de ervaringen van thuiswerken wilde onderzoeken. Tijdens de coronacrisis zijn er veel mensen thuis gaan werken. Er is toen ook veel grootschalig onderzoek gedaan naar of dit ‘het nieuwe normaal’ zou worden of niet. Mensen gaven aan: we werken het liefst 3 dagen op kantoor en 2 dagen thuis. Ook zo’n onderzoek wordt vaak gedaan aan de hand van enquêtes, om snel een groot aantal mensen te kunnen benaderen.

Heb jij Facebook? Hoe vaak verander jij je profielfoto? Bekijk een enquête over Facebook-profielen hier. Je kunt een enquête houden over heel veel onderwerpen. Zo bijvoorbeeld ook over de sfeer op school. Maar het maken van een enquête is stukken moeilijker dan je denkt. Zelf denk je misschien dat een vraag heel logisch is, maar degene die de enquête invult kan daar heel anders over denken. Hieronder vind je nog wat tips voor het maken van een goede enquête:

Een rijtje tips:

  1. Zorg dat je vraag zo kort en eenvoudig mogelijk is. Bij een vraag die langer is dan een regel, is de kans groot dat mensen afhaken tijdens het lezen. Ook als de vraag zo ingewikkeld is dat je hem drie keer moet lezen totdat je hem snapt, moet je hem eenvoudiger maken.
  2. Dubbele ontkenningen maken het onduidelijk, dus gebruik die niet. De vraag ‘Vindt u ook niet dat…?’ brengt mensen in verwarring.
  3. Denk ook na over de volgorde waarin je de vragen stelt. Het is bijvoorbeeld niet zo slim om eerst de allermoeilijkste vraag te stellen. Je moet mensen eerst een beetje laten wennen en wat algemenere vragen stellen.
  4. Pas op dat je niet sturend bent in een vraag of in de volgorde waarin de vragen worden gesteld. Als je eerst vraagt of iemand het belangrijk vindt om gezond te eten en vervolgens hem vraagt hoe vaak hij naar de McDonald’s gaat, zou je wel eens een rooskleuriger antwoord kunnen krijgen dan wat de realiteit is.

Als je gesloten vragen stelt, betekent dat dat je antwoordopties geeft, zoals bij een meerkeuzevraag. Die antwoordopties moeten wel logisch zijn. Ze moeten vergelijkbaar zijn en alle antwoorden die mensen kunnen hebben, bevatten. Een voorbeeld van iets waarbij dit niet het geval is, zie je hieronder.

‘Wanneer ging u voor het eerst zonder uw ouders op vakantie?’

  1. 5 jaar geleden
  2. Toen ik mijn vrienden 3 jaar kende
  3. Wat een leuke vraag, ik vond pas de foto’s daar nog van, wat was dát leuk.
  4. In 2005

Je snapt zelf waarschijnlijk ook wel dat je als onderzoeker aan deze antwoorden niks zult hebben. Je weet bijvoorbeeld niet wanneer iemand zijn vrienden drie jaar kende en je hebt ook niks aan antwoordoptie C. Optie A ‘5 jaar geleden’ kun je wel gebruiken, omdat je kunt uitrekenen in welk jaar dat dan was, maar het is logischer om net als bij optie D gewoon direct het jaartal neer te zetten.