§2.5 Protestgeneratie

De protestgeneratie wordt ook wel eens aangeduid met de babyboomgeneratie. Dit is de generatie die in de jaren na de Tweede Wereldoorlog werd geboren. De wereld lag aan hun voeten: ze groeiden op in een wereld zonder oorlog en in een steeds rijker wordende (Westerse) wereld. 

Door het aantal toenemende scholen en de stijgende kansen voor jongeren werd meer ‘zelf’ nagedacht. Jongeren voelden zich vrij en zetten vraagtekens bij instituties zoals de kerk en het geloof. Ze waren bezig met zelfontplooiing, emancipatie en duurzaamheid. Zo waren ze kritisch op de gevestigde orde en protesteerden ze tegen de machtsverhoudingen

Deze generatie heeft bijvoorbeeld in veel protesten aandacht gevraagd voor de positie van de vrouw in Nederland. De eerste feministische golf was al geweest, wat resulteerde in kiesrecht voor vrouwen. De tweede emancipeerde feministische golf werd veroorzaakt door de protestgeneratie. Groepen zoals de Dolle Mina’s sneden allerlei thema’s aan waar vrouwen achtergesteld waren op mannen. Misschien ken je wel leuzen zoals ‘baas in eigen buik’, waarmee protestanten aandacht vroegen voor het recht op abortus. Nog steeds zijn de onderwerpen van de Dolle Mina’s relevant, kijk maar eens naar het filmpje gemaakt door YUNG DWDD

Een voorbeeld van een groep die zich in deze roerige tijden verzette tegen de gevestigde orde waren de hippies. Met hun lange baarden en vrolijke kleding vroegen ze zich af waarom alles zo strak, netjes en verzorgd moest zijn. Waarom zouden we niet wat meer lol maken in het leven?

Een ander voorbeeld zijn de Provo’s. Hun naam was afgeleid van het woord ‘provoceren’, dat letterlijk ‘door woorden of daden uitlokken van ongeoorloofd gedrag’ betekent. Hierbij was dat uitlokken gericht op de politie. Provo werd in 1965 opgericht door een filosoof, een drukker en een uitvinder en verzette zich tegen instituten als de kerk, het leger en de staat. Ze richtten zich op het ‘provotariaat’: studenten, kunstenaars, werklozen en moesten niets hebben van de rijke burgerij.


Terug naar hoofdstuk 2 Naar §2.5 Aletta Jacobs